Briefing – Wetsvoorstel moet verzet tegen Nederlands medeplichtigheid aan Israëls genocide in Palestina aan banden leggen: Kom in actie!

by the ELSC Netherlands work team and Meld Islamofobie

Voor de Nederlandse versie van deze tekst klik hier

De Nederlandse overheid, onder leiding van het Kabinet-Jetten, heeft de aanval op de vrijheid van meningsuiting verder geëscaleerd met een wetsvoorstel dat als eén van de doelen heeft om het verzet tegen Nederlands medeplichtigheid aan de Israëlische genocide in Palestina aan banden te leggen. In deze briefing zal het Nederlandse team van het European Legal Support Center (ELSC), in samenwerking met Meld Islamofobie, kijken naar de precieze inhoud van het wetsvoorstel dat het “verheerlijken” van zogenaamd “terrorisme” strafbaar wil stellen. Ook gaan we in op waar degelijke wetten in andere landen – de inspiratiebronnen van het Kabinet-Jetten zoals het kabinet zelf beschrijft in de Memorie van Toelichting (MvT) van het wetsvoorstel — tot hebben geleid. Duidelijk zal worden hoe rekbaar dit wetsvoorstel is voor een Nederlandse overheid om toe te passen op basis van wat ze politiek het best uitkomt en dat het gebruikt kan worden om politieke dissidenten zoals anti-genocide groepen, organisaties en individuen de mond te snoeren. Tot slot zullen we bespreken wat er tegen het wetsvoorstel gedaan kan worden. 

I. INTRODUCTIE 

Deze briefing betreft het wetsvoorstel van 25 juni 2026, ingediend door Minister David van Weel (VVD), met de naam “strafbaarstelling verheerlijken van terrorisme en openbare steunbetuiging aan terroristische organisaties”. Het wetsvoorstel stelt als doel te hebben om, kort gezegd, het publiekelijk steun betuigen aan zogenaamde “terroristische organisaties” strafbaar te stellen. 

Het wetsvoorstel kent al een geschiedenis sinds 2014. Nadat het Kabinet-Schoof de wet weer wilde invoeren in 2025 ontving het een historisch aantal reacties in de internetconsultatie, waarin inwoners en organisaties hun bezwaren konden indienen. Ook het ELSC diende een bezwaar in. Het wetsvoorstel werd in maart bekeken door de Raad van State, die een aantal opmerkingen maakte en verbeterpunten voorstelde. Na een politieke uitruil tussen de VVD en D66 heeft het nieuwe rechtse Kabinet-Jetten het voorstel op basis van de aanbevelingen van de Raad van State licht aangepast en naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze aanpassingen hebben de geuite zorgen van het maatschappelijk middenveld niet weggenomen.1 

Het wetsvoorstel bevat de volgende toevoegingen aan de Nederlandse strafwet: 

  1. Het publiekelijk loven van ‘terroristische misdrijven’ (nieuw art. 132a); 
  2. Het verspreiden van teksten of afbeeldingen waarin ‘terroristische misdrijven’ worden geprezen (nieuw art. 132b); 
  3. Het publiekelijk steun betuigen aan organisaties die als ‘terroristische’ organisaties zijn aangewezen (nieuw art. 132c). 

II. JURIDISCHE RISICO’S 

Voor een duidelijk beeld van de risico’s is het belangrijk eerst de vraag te beantwoorden: wat is ‘terrorisme’ precies? De juridische definitie die de Nederlandse strafwet hanteert vinden we in art. 83a van het Wetboek van Strafrecht. Volgens deze definitie is er sprake van een “terroristisch oogmerk’” als één van de volgende doelen worden nagestreefd bij de omschreven daden: 

  1. Het doel mensen angst aan te jagen; of 
  2. Het doel om het gedrag van overheden of internationale instanties te beïnvloeden; 
  3. Het doel om de fundamentele structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. 

Dit is een brede definitie en dat is op zichzelf al problematisch, omdat het vooral afhankelijk is van de subjectieve interpretatie van rechters en het openbaar ministerie. Nelson Mandela was een lange tijd een terrorist volgens de Nederlandse overheid en hij stond lange tijd op internationale terroristenlijsten. Als de voorgestelde wet in de jaren ‘80 en ‘90 al van kracht was geweest, dan had de Nederlandse overheid alle demonstranten die zijn daden hadden ‘verheerlijkt’, zijn argumenten hadden verspreid, of zijn vrijheidsbeweging, het African National Congress (ANC), publiekelijk hadden geprezen, op kunnen sluiten. 

Verder is het breed aangetoond dat er doorgaans problematische associaties zijn tussen het woord ‘terrorisme’ en bepaalde geloofsovertuigingen en etniciteiten.2 Etnische minderheden, en met name de politieke en religieuze uitingen van moslims, worden structureel als veiligheidsrisico aangemerkt door politici en media, waarover later meer. 

Met het voornemen om het publiekelijk steun betuigen aan organisaties die als ‘terroristisch’ zijn aangewezen te verbieden, tast het wetsvoorstel ook de politiek onafhankelijke rol van rechters verder aan. In de praktijk is wat als ‘terrorisme’ aangemerkt en als zodanig vervolgd wordt, volledig afhankelijk van politieke keuzes op nationaal en Europees niveau in de vorm van sanctielijsten en aanwijzingen. Die lijsten worden, als gevolg van de ruk naar rechts in Europa, steeds verder aangevuld met organisaties die respect voor de rechten van anderen willen bevorderen. Ook hierover later meer. 

Er zijn al ruime mogelijkheden binnen de Nederlandse strafwet om mensen te vervolgen voor acties die de Nederlandse overheid als “gewelddadig” bestempelt: de enige verandering die het nieuwe wetsvoorstel introduceert is dat de overheid hiermee mensen kan opsluiten voor solidariteitsuitingen waar ze het etiket “gewelddadig” niet op kunnen plakken. 

Een aantal overige punten zijn belangrijk om nog te benoemen. Allereerst het feit dat het verspreiden van teksten of afbeeldingen strafbaar wordt gesteld. Het is duidelijk dat sociale media een belangrijke ruimte zijn geworden om het recht op vrijheid van meningsuiting uit te oefenen. Deze strafbaarheidsstelling kan dan ook gebruikt worden door de Nederlandse staat middels de politie, de AIVD, en MIVD om bepaalde vormen van solidariteit op sociale media te onderdrukken.3 Er zijn onvoldoende garanties in de wettekst aangebracht om de directe negatieve gevolgen, en de indirecte in de vorm van een ‘chilling effect’ en zelfcensuur, tegen te gaan. 

Daarbij komt dat aan de nieuwe versie van het wetsvoorstel, om tegemoet te komen aan eerdere kritiek van de Raad van State, het bestanddeel ‘verregaand loven of prijzen’ is toegevoegd. Ondanks dat dit bestanddeel in de rechtspraak enigszins is verduidelijkt en er in de MvT wordt verwezen naar ‘uitbundige loftuitingen’ en ‘het toekennen van grote waardering’4, blijft dit een weinig objectieve maatstaf en zal ook dit in grote mate een subjectieve constatering zijn. Waar zit precies de scheidslijn tussen ‘vergoelijken’, wat expliciet niet strafbaar is gesteld, en ‘verregaand loven of prijzen’? Het feit dat dit niet duidelijk is, kan tot een zekere mate van zelfcensuur leiden. Dit schendt het principe van voorzienbaarheid, wat één van de vereisten is vanuit de Europese wetgeving en rechtspraak voor nationale wetten die mogelijk de fundamentele vrijheden inperken. 

Kortom, het kabinet wil het makkelijker maken om burgers te vervolgen die op enige manier steun betuigen aan organisaties, of hun acties in beeld of geschrift prijzen, die via een geheel politiek proces als ‘terroristisch’ zijn aangemerkt, een rekbaar label voor overheden om als wapen in te zetten tegen politieke dissidenten zoals organisaties, groepen, en individuen die zich verzetten tegen Israëls genocide die de Nederlandse overheid steunt. Publiekelijk steun betuigen aan anti-genocide groepen, organisaties en acties kan daardoor plotseling strafbaar worden gesteld. Daarnaast, omdat het onduidelijk is wat er nu wel en niet gezegd en getoond mag worden, wordt het principe van voorzienbaarheid geschonden. Dit wetsvoorstel vormt daarmee een ontoelaatbare inperking van de vrijheid van meningsuiting en een escalatie van de voortdurende aanval op politieke dissidentie tegen het pro-genocide beleid van de Nederlandse regering. Ook brengt het grote risico’s met zich mee voor de vrijheid van vergadering en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, die Nederland ooit hoog in het vaandel had staan. 

III. HISTORIE 

Zoals al kort benoemd staat het wetsvoorstel niet op zichzelf en vormt het de meest recente voorgenomen uitbreiding van een breed scala aan strafrechtelijke en bestuurlijke repressieve maatregelen. Dit ‘apparaat’ aan wetgeving en beleid heeft de repressieve capaciteit van de Nederlandse staat de afgelopen twintig jaar op hoog tempo uitgebreid. De repressie van het Palestijnse verzet en van solidariteit met het Palestijnse volk tegen de Israëlische bezetting, kolonialisme, en etnische zuivering zijn sinds het begin van de eeuw een belangrijke factor geweest in de ontwikkeling van ‘antiterrorisme’-wetgeving en speelde een fundamentele rol bij de vroege institutionalisering van ‘terrorisme-dreiging’ als politiek instrument.5 

De Israëlische genocide in Gaza en de pro-genocide politiek van de Nederlandse overheid heeft sinds 2023 gezorgd voor een nieuwe escalatie in de voorgenomen uitbreiding van het repressieve beleid, met grote gevolgen voor privacy, de vrijheid van meningsuiting en religie, en het demonstratierecht. Het huidige wetsvoorstel verschuift de strafbaarstelling van handelingen naar signalen en volgt door de Tweede Kamer aangenomen moties die vrijwel exclusief gericht zijn op de criminalisering van organisaties solidair met het Palestijnse volk en Islamitische organisaties.6 

De parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel laat zien dat de verbanden die politici systematisch leggen tussen de Palestina-solidariteitsbeweging, migratie, ‘antisemitisme’, islam en ‘terrorisme’ een belangrijke aanleiding was voor de hernieuwde indiening van het wetsvoorstel. Een eerder afgewezen versie van de wet werd in 2015 bij de Kamer ingediend naar aanleiding van aanslagen in Europa door IS. In 2024 verschoof het discours naar door pro-genocide politici en organisaties actief gepropageerde associaties tussen de anti-genocide beweging en ‘terrorisme’. Ook dit toont de politieke instrumentaliteit van het wetsvoorstel en het risico dat deze wordt ingezet om politieke vrijheden in te perken.7  

Een robuust politiek en maatschappelijk debat over de impact van 20 jaar ‘antiterrorismebeleid’ wordt nauwelijks gevoerd, ondanks de zich opstapelende documentatie van ernstige mensenrechtenschendingen en groeiende rechtsongelijkheid in de uitvoering zoals heimelijk onderzoek in moskeeën, bankendiscriminatie, burgers of politieke activisten wier namen op ‘terrorismelijsten’ terechtkomen, het selectief afnemen van de Nederlandse nationaliteit op basis van etnische afkomst, en door rechters aangekaarte ‘tunnelvisie’ van het OM bij strafrechtelijk onderzoek in ‘terrorismezaken’. Dit is slechts een greep uit door onderzoekers, activisten en journalisten gedocumenteerde zaken. 

Mensenrechtenadvocaat Britta Böhler, die aan verschillende prominente zaken inzake ‘terrorisme’ als verdediger deelnam, waarschuwde in haar boek Crisis in de rechtstaat in 2004 al dat nieuwe repressieve wetgeving telkens tot stand komt naar aanleiding van incidenten die veel politieke en media-reuring teweegbrengen. De toereikendheid van bestaande strafwetgeving en de risico’s voor de rechtsstaat worden daarbij consequent terzijde geschoven. Volgens Böhler gaat deze ontwikkeling ten koste van fundamentele waarborgen voor verdachten: de verdediging krijgt steeds minder mogelijkheden om de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van belastend, vaak uit geheime inlichtingen afkomstig materiaal daadwerkelijk te toetsen, terwijl uitzonderlijke opsporings- en bewijsregels worden gerechtvaardigd. Daarmee komt niet alleen de rechtszekerheid onder druk te staan, maar ook het uitgangspunt van een eerlijk proces waarin de verdediging daadwerkelijk in staat moet zijn het tegen haar ingebrachte bewijs te betwisten. 

Het huidige wetsvoorstel is een ongekende verdieping van alle gevaren die Böhler 22 jaar geleden al beschreef. 

IV. INTERNATIONALE CONTEXT 

In de MvT van het nieuwe wetsvoorstel wordt uitdrukkelijk naar onder andere Duitsland, Engeland, en Frankrijk gewezen, en wordt erkend dat “[d]e buitenlandse bepalingen zijn benut bij het opstellen van de hier voorgestelde wetsartikelen”.8 Wanneer we naar deze en andere Europese landen kijken zijn er patronen zichtbaar van uitbreiding van ‘contraterrorisme’-wetgeving die wordt gebruikt om solidariteit met Palestina en anti-genocide verzet te criminaliseren en een chilling effect te creëren. Niet alleen leidt dergelijke wetgeving tot vervolging maar ook tot ernstige lastercampagnes en staatssurveillance. De context in het Verenigd Koninkrijk (VK), Duitsland en Frankrijk geeft een beeld van waar het Kabinet-Jetten naartoe wil met Nederland. 

Het meest voor de hand liggende voorbeeld is wellicht het VK, waar Palestine Action werd verboden onder sectie 3 van de Terrorism Act 2000. Dit leidde tot de arrestatie van meer dan 3000 mensen, waarvan 700 zijn aangeklaagd, waaronder voor het omhooghouden van het bord “I oppose genocide, I support Palestine Action”. Daarnaast biedt sectie 12 (1A) de mogelijkheid voor de Britse overheid om met vage termen de wet als wapen in te zetten tegen onwelgevallige meningen. Incidenten uit het ELSC’s Index of Repression over het VK laten hier de gevolgen van zien.9 

De situatie in Duitsland geeft duidelijk weer hoe het verbieden van organisaties, symbolen en slogans kan worden bepaald door de politieke agenda van een regering. Voorbeelden zijn onder andere het verbod op de “From the River to the Sea”-slogan, leidend tot duizenden incidenten van anti-Palestijnse repressie, en een verbod op de organisatie Palästina Solidarität Duisburg, een verbod dat politiek-gemotiveerde redenen noemde zonder juridische grondslag. Afgelopen mei nog deelde de Duitse binnenlandse inlichtingendienst een lijst met “extremistische” symbolen en slogans, waaronder Handala, het iconische symbool van een Palestijns vluchtelingenkind. In juni 2026 schreef een Speciale Rapporteur van de Verenigde Naties dat ze zich zorgen maakte over “de grote onduidelijkheid rond de definitie van begrippen als ‘antisemitisme’ en ‘extremisme’ [in Duitsland], wat leidt tot buitensporige beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en wat verwarring zaait onder degenen die deze rechten hebben, met een dramatisch chilling effect.”” 

In Frankrijk verbiedt Artikel 421-2-5 van het Franse Wetboek van Strafrecht (Code pénal) excuus voor ‘terrorisme’, vergelijkbaar met het verheerlijken van ‘terrorisme’, en kan de Ministerraad elke vereniging bij eenvoudig decreet ontbinden.10 Wat dit in de praktijk laat zien is hoe rekbaar het begrip ‘terrorisme’ is voor de Franse overheid. Zo oordeelde de Franse Raad van State in 2022 eerst dat de ontbinding van Collectif Palestine Vaincra (CPV) een onevenredige inbreuk vormde op de vrijheid van meningsuiting en vereniging. Drie jaar later oordeelde de Raad het tegenovergestelde ondanks dat die zelf toegaf dat CPV’s handelingen “niet kunnen worden beschouwd als handelingen die bedoeld zijn om terroristische daden uit te lokken.”11 

Lucy Dawoud, jurist bij het Franse Legal Team Antiraciste dat routinematig inwoners van Frankrijk verdacht van “excuus voor terrorisme“ bijstaat, zegt het volgende in persoonlijke communicatie met het ELSC: “In Frankrijk is Artikel 421-2-5 een van de belangrijkste middelen die de staat gebruikt om de politieke oppositie aan te pakken. De afgelopen jaren is het op grote schaal ingezet tegen gekozen politici en vakbondsvertegenwoordigers, leiders van solidariteitsbewegingen, activisten, journalisten en academici vanwege politieke uitspraken in posts op sociale media of tijdens toespraken op demonstraties. Enkele van de meest ingrijpende maatregelen van het rechtssysteem kunnen ingezet worden als onderdeel van dit artikel: huiszoekingen, politiehechtenis, gerechtelijk toezicht, gevangenisstraffen, registratie in het nationale register van ‘terrorismedelinquenten’, bevriezing van tegoeden en gevolgen voor je immigratiestatus. De realiteit van deze wet is dat het de overheid in staat stelt om ‘gedachtenmisdrijven’ te vervolgen, onder het mom van terrorismebestrijding.” 

Marc Trévidic, voormalig politierechter en medeopsteller van het betreffende artikel, zegt nu hierover: “Je kunt nu openlijk beweren dat de bombardementen op Gaza legitiem zijn zonder dat je daarvoor wordt vervolgd. Terwijl je voor een simpele pro-Palestijnse hashtag al in de gevangenis kunt belanden. We zouden de moed moeten hebben om het roer om te gooien. Dit alles is voor mij een les geweest.” 

Deze patronen elders in Europa, die de weg tonen die het kabinet-Jetten met Nederland wil inslaan, laten zien hoe rekbaar dit wetsvoorstel kan zijn voor een Nederlandse overheid om toe te passen op basis van wat ze politiek het best uitkomt, om te beginnen met het verder onderdrukken van anti-genocide groepen, organisaties en individuen. 

V. WAT TE DOEN 

In Nederland kunnen we dit nog stoppen. Het wetsvoorstel is nog in de voorbereidende fase: het debat en de stemmingen in de Tweede – en Eerste Kamer moeten nog plaatsvinden, op nog onbekende data. Het ELSC en Meld Islamofobie sporen iedereen binnen de Palestina-solidariteitsbeweging aan om hier de voortgang van het wetsvoorstel in de gaten te houden en om deze briefing te gebruiken om zo veel mogelijk tegenstand te mobiliseren. Meld je daarnaast hier aan voor de ELSC-nieuwsbrief om op de hoogte te blijven over onze campagne tegen het voorstel, waar we iedereen in de solidariteitsbeweging oproepen om zich bij aan te sluiten. 

Kamerleden die de vrijheid van meningsuiting en vereniging in Nederland belangrijk achten, worden dringend opgeroepen tegen dit wetsvoorstel te stemmen. Zolang het niet van tafel is, zullen het ELSC en Meld Islamofobie zich ertegen blijven inzetten. 

Eindnoten: 

    ELSC Nederlands werkteam 

    Het Nederlandse werkteam van het European Legal Support Center (ELSC) verdedigt de Palestijnse solidariteitsbeweging in Nederland. We bieden onder meer gratis juridische ondersteuning, we onderzoeken, monitoren en analyseren anti-Palestijnse repressie, we zorgen ervoor dat actoren en mechanismen van repressie en medeplichtigheid blootgesteld worden en we verzorgen Know Your Rights-evenementen en -materialen. 

    Meld Islamofobie 

    Meld Islamofobie is een onafhankelijke stichting die kritische kennis over islamofobie ontwikkelt, gedupeerden ondersteunt en activeert en samen met bondgenoten bouwt aan een brede beweging tegen racisme en kolonialisme. 

    The ELSC Blog is a space for analysis, reflection, and debate within the movement.
    The views expressed in individual contributions are those of the authors and do not necessarily reflect the position of the European Legal Support Center (ELSC) as an organisation. All submissions are subject to editorial review and, where necessary, legal review. ELSC retains final editorial control over published material.

    Contributor Guidelines & Terms →

    • Briefing – Bill aims to repress opposition to the Netherlands’ complicity in Israel’s genocide in Palestine: Take action!

    • The Limits of Human Rights Credibility: The repression of Palestine Solidarity in Germany

    • Netherlands and the ICJ case South Africa v Israel: Damage control masked as support for the Palestinian cause

    • Institutionalisation from below: A testimony from Exposing Zalando

    • Block the boat: ELSC’s role in disrupting arms deliveries to Israel

    • “Hostile” Symbols & Slogans: The Attack on Palestinian Presence in Europe